Ziekte van Cushing bij de hond

Laatste update: 3 juli 2019

De ziekte van Cushing is een aandoening die zich vaak op latere leeftijd bij de hond manifesteert.

Niet alleen honden lopen dit risico, ook bij paarden wordt dit syndroom regelmatig gezien.

Onbehandeld heeft het dier een negatieve prognose. Daarom is het van groot belang dat de eigenaar of verzorger alert is op de symptomen.

Hoe herken je deze ziekte?

En wat betekent het, wanneer je viervoeter deze diagnose krijgt?

In dit artikel onderzoeken we de ziekte van Cushing voor jullie.

Ziekte van Cushing bij honden

De officiële benaming van ziekte van Cushing is hyperadrenocorticisme. In het jaar 1912 werd deze aandoening als eerste beschreven, door dr. Harvey Cushing. Dr. Cushing was zowel neurochirurg, patholoog-anatoom als schrijver.

Hij wordt als één van de belangrijkste pioniers op het gebied van neurochirurgie in de 20e eeuw gezien.

Lees ook: Symptomen zieke hond

Syndroom van Cushing

Dr. Harvey Cushing ontdekte dit syndroom tijdens zijn onderzoek naar een functiestoornis in de menselijke hypofyse. Al is hij zeldzaam, deze ziekte komt dus ook bij mensen voor!

Hiernaast kunnen honden deze aandoening krijgen, vaak op latere leeftijd. Mogelijk lopen kleine hondenrassen meer risico dan grote.

Hiernaast heeft onderzoek aangetoond dat zo’n 15% van de paarden boven de 15 jaar oud deze ziekte ontwikkelt. Hierbij wordt het syndroom aangeduid met de naam PPID. Dit staat voor pituitary pars intermedia dysfunction.

Waar komt deze terminologie vandaan?

Oorzaken ziekte van Cushing

De naam die men tegenwoordig voor de paardenversie van de ziekte van Cushing gebruikt, geeft de kern van het probleem mooi weer. “Pituitary dysfunction” betekent namelijk “Slecht functionerende hypofyse” in het Nederlands.

Hypofyse

De hypofyse is een kleine klier die zich onderaan de hersenen bevindt. Deze speelt een belangrijke rol in het ontwikkelen en uitscheiden van de verschillende hormonen in het lichaam.

In zo’n 85% van de gevallen wordt de ziekte van Cushing veroorzaakt door een goedaardig gezwel (tumor) in deze klier.

Door de tumor wordt teveel van het hormoon ACTH (adrenocorticotroop hormoon) aangemaakt. Dit hormoon stimuleert de aanmaak van het hormoon cortisol, in de bijnieren.

De bijnieren zijn twee kleine klieren, die elk bovenop één van de twee nieren geplaatst zijn.

Door het teveel aan het ACTH, slaat de aanmaak van cortisol op tilt. Hierdoor heeft het dier een verhoogd gehalte van dit hormoon in zijn bloed. Maar dit is niet zonder gevolgen.

Cortisol geeft namelijk het lichaam de staat van paraatheid. Dit hormoon wordt normaliter geproduceerd in stress situaties, zodat de hond kan vechten of vluchten.

Maar blijft dit hormoongehalte aanhoudend hoog, dan kan dit de vele belangrijke processen binnen het lichaam ontwrichten.

Bijnier

In een kleiner deel van de gevallen, wordt de verstoorde aanmaak van cortisol veroorzaakt door een tumor aan één of beide bijnieren. Bij deze tumoren is er zo’n 50% kans op een goedaardig of kwaadaardig gezwel.

Corticosteroïden

Bij het kleinste deel van de patiënten, heeft dit syndroom zich ontwikkeld door langdurig gebruik van corticosteroïden. Dit zijn zware ontstekingsremmers, waardoor het immuunsysteem sterk onderdrukt wordt.

Cushing symptomen bij de hond

Het is dus als eigenaar belangrijk, dat je de middelen hebt dit syndroom tijdig te herkennen. Helaas heeft de ziekte van Cushing geen overduidelijk symptoom waardoor je gelijk weet dat deze ziekte gaande is.

Maar de symptomen geven wel de algemene indruk dat het niet goed gaat met je hond.

We zien bij de ziekte van Cushing de volgende symptomen:

  • Apathie (emotieloosheid)
  • Energieverlies
  • Gewichtsverlies
  • Gezwollen buik
  • Haaruitval
  • Hijgen
  • Huiduitslag, verkleuring of verkalkte huidplekken
  • Lethargie (slaapzucht)
  • Spierzwakte
  • Veel drinken
  • Veel plassen
  • Zeer hoge eetlust
  • Verstoring van de huid (verdunning, verslapping)

Vaak gaat de herkenning van een specifieke aandoening om de combinatie van verschillende signalen. De ziekte van Cushing is hier geen uitzondering op.

Al kunnen de bovengenoemde symptomen meerdere mogelijke oorzaken hebben, er wordt zonder twijfel een beeld geschetst waarbij een dierenarts geraadpleegd moet worden.

Ook zullen bovenstaande signalen doorgaans niet typisch gedrag zijn voor je viervoeter.

Dus verandert het gedrag van je dier ineens? Dan is het wijs een dierenarts om advies te vragen.

Behandeling van Cushing syndroom

De dierenarts zal de diagnose van de ziekte van Cushing stellen door middel van urineonderzoek. Hierbij zal de arts het onder andere het cortisol-gehalte in het bloed meten. Bloedonderzoek kan de diagnose extra ondersteunen.

Vervolgens wordt er een behandelplan opgesteld.

In het geval van een hypofyse tumor kan deze operatief verwijderd of bestraald worden. Vooral bij grote tumoren dient gelijk actie ondernomen te worden, door de druk die dit gezwel op de hersenen kan geven.

Wanneer een chirurgische ingreep toch geen (reële) optie is, wordt er medicatie gebruikt om de hormoon-producerende rol van de bijnieren te onderdrukken.

Bij een tumor in de bijnieren zijn er drie verschillende opties.

Een kwaadaardige tumor moet eigenlijk altijd operatief verwijderd worden. Deze geeft teveel risico voor de gezondheid van het dier. De hond wordt hierbij gelijk gecontroleerd op uitzaaiingen, door een röntgenfoto van de longen te maken.

Een goedaardige tumor kan operatief verwijderd worden. Men kan er ook voor kiezen deze met rust te laten, wanneer de operatie te zwaar is voor het dier of de tumor geen (snelle) groei kent.

In het laatste geval zal er dagelijkse medicatie nodig zijn om de bijnieren te onderdrukken in de aanmaak van cortisol.

Ziekte van Cushing levensverwachting

Zo’n 10% van de Cushing patiënten krijgt suikerziekte (diabetes mellitus), doordat de gehele hormoonhuishouding sterk van slag is geraakt.

De ziekte van Cushing is vaak goed met dagelijkse medicatie te behandelen. Wel dient de hond geregeld op controle te komen bij de dierenarts. Deze stelt vast of de medicatie nog toereikend is en of de lichamelijke situatie onder controle is.

Echter brengen de tumoren zelf ook risico met zich mee. Hoe groter de tumor, hoe minder hoog de levensverwachting is.

Uiteraard geldt dit verschil ook voor kwaad- en goedaardige tumoren.

Wanneer dit syndroom gepaard gaat met suikerziekte is de behandeling intensiever en het de levensverwachting iets verlaagd.